Sientje Mesdag-van Houten (1834-1909)
|
Op 18 juni 1866 verlieten
Sientje en Hendrik Willem Mesdag met hun tweejarige zoontje Klaas hun
geboortestad Groningen om zich in Brussel te vestigen. Mesdag had het
besluit genomen om zijn goede baan als effectenmakelaar op te geven en
om zich geheel aan de schilderkunst te wijden. In Brussel kon hij
via zijn neef Laurens Alma Tadema in de leer bij de beroemde
landschapschilder Willem Roelofs. Het kunstenaarsmilieu waarin het
echtpaar Mesdag terecht kwam-eerst Oosterbeek, vervolgens Brussel en Den
Haag- was geheel nieuw voor ze, maar ze voelden zich er thuis en al gauw
maakten zij prominent deel uit van van De schilders-bent, die zich later
tot de Haagse School zou ontpoppen.
Door het grote
enthousiasme van haar echtgenoot en de inspirerende leefwereld waarin
zij terecht was gekomen, begon Sientje met Mesdag mee te studeren.
Hoewel in het begin sporadisch en met een zekere verlegenheid, gaf de
dood van hun zoontje Klaas in 1871 de doorslag om zich professioneel met
schilderen bezig te gaan houden.
Sientje heeft zich
ontwikkeld tot een zelfstandig schilderes en neemt een significante
plaats in binnen het Haagse kunstenaarsmilieu aan het einde van de 19e
eeuw. Ze is veel meer geweest dan de echtgenote van de beroemde
zeeschilder, achter wiens forse gestalte haar reputatie als kunstenares
onvoldoende tot haar recht is gekomen. Dat lag niet aan Hendrik Willem,
integendeel. Tussen beide kunstenaars was sprake van een grote
collegialiteit. Ze erkenden elkaar elk in hun eigen specialisme.
Collegiaal waren zij
eveneens bij de vorming van de belangrijke collectie die zij in 1903 aan
de Staat nalieten, en in de vooraanstaande positie die zij in het Haagse
kunstleven hebben ingenomen. Sientje wijdde haar leven aan de kunst en
werd niet alleen gewaardeerd om haar karakteristieke schilderijen en
aquarellen, maar evenzeer om haar vriendelijke bescheiden
persoonlijkheid.
Vanzelfsprekend is Mesdag
van invloed geweest op Sientjes werk en en had zijn positie binnen het
Haagse kunstcircuit consequenties voor haar. Aangezien zij beiden
dezelfde soort schildersproblemen hadden, voorzagen zij elkaar dikwijls
van commentaar.
Niet alleen het
Zuid-Hollandse kustgebied koos Sientje tot onderwerp, zij voelde zich
ook sterk aangetrokken tot de bossen en de heiden van de Veluwe en
Drente. Na haar kennismaking met de Veluwe in 1866, is Sientje er in
haar verdere leven vele malen teruggekeerd. Zij was erg gecharmeerd van
de natuur en de mensen uit de streek. Sientje had vaak een grote
schilderskist mee, die zij voor zich neer kon zetten, zodat zij
makkelijk buiten kon werken. Thuis gekomen maakte zij een ondertekening
op doek, aan de hand van geschikte schetsen. Vervolgens bracht zij de
verf op.
|