Cor Noltee (1903-1967)
|
|
|
| Bernardus Cornelis ("Cor") Noltee: Den Haag 1903 - Dordrecht 1967. |
| Cor
Noltee woonde en werkte in Den Haag, Parijs, Rotterdam en Brugge. Hij
vestigde
Een Dordtse tijdgenoot
typeerde Noltee ooit als volgt; "Noltee was een schilder
zoals men zich een schilder voorstelde: een bohemien, die zich buiten
de burgelijke maatschappij geplaatst voelde, een man met allure, die
met onverschilligheid voor de tongen en de gevolgen zijn mening
poneerde en zijn leven leefde".
Zijn leerling/collega
Piet Kraus noemde in een artikel ter gelegenheid van een
tentoonstelling in het Dordrechts museum in 1973 een aantal van
Noltee's eigenschappen; een goed schilder, opschepper, natuurvriend,
vrouwenjager, prima tekenaar, boeiend prater, cosmopoliet, goed
biljarter, animaal talent, egoist, aardige visser, lolmaker, ernstige
zwarte-toonschilder, clochard, dandy en een eenzaam mens zonder
mensenkennis. Volgens Kraus was dat allemaal waar.
Op 12 jarige leeftijd
wordt Noltee toegelaten tot tot het eerste studiejaar van de afdeling
teken-en schilderkunst aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten.
Hij noemt zich dan al van beroep kunstenaar.
In zijn jonge jaren werd
Noltee beinvloed door het Hollands impressionisme, beter bekend als de
Haagse School, later gevolgd door het Amsterdams impressionisme.Weer
later zou Noltee ook wel de Dordtse Breitner worden genoemd. Het
vroege werk is kleuriger en zonniger dan zijn latere werk, dat meer
neigt naar herfst- en winterstemmingen.
Vanuit Den Haag reist
Noltee regelmatig naar andere bestemmingen in Nederland waar hij
vooral cavalariepaarden, stadsgezichten, markttaferelen en cafe-en
stalinterieurs schilderde.
Rondom 1927 legt hij
zich toe op een onderwerp dat hem jarenlang zou blijven boeien en dat
hem ook commercieel succes bezorgde; de Rotterdamse Maaskaden met
sleperskarren en figuren. Hij was geboeid door zowel de arbeid van de
mensen als van de paarden, en hij weet vooral het zwoegen van de
paarden suggestief weer te geven. Dit thema lijkt hem ook te zijn
ingegeven door zijn oog voor de noden van de werkende klasse en door
zijn grote bewondering voor het werk van Breitner.
In 1933 trekt het gezin
Noltee naar Mierlo in Brabant. Hier krijgt zijn werk een expressieve
lading. Het verfgebruik is zwaarder en ruiger, de luchten zijn sterk
getekend en dreigend en hij kiest onderwerpen met een zekere dramatiek.
Na veel rondzwerven
vestigde Noltee zich in 1937 in Dordrecht. Daar breekt een nieuwe
periode aan gebooeid als hij werd door het karakteristieke van de stad
en van de waterrijke omgeving. Hij verlaat zijn historische thema's en
richt zich helemaal op de sfeer van het oude Dordrecht, het verval van
de stad en de bouwaktiviteiten in de stad en in de Biesbosch. Het
bruine, zwarte compacte van zijn vroege werk heeft plaats gemaakt voor
een meer grijs dromerig coloriet. Zijn werk suggereert ruimte en sfeer
Door zijn hele
schildersloopbaan heen heeft Noltee zich toegelegd op zelfportretten.
Deze behoren tot het beste van zijn werk. Na de oorlog blijft
Noltee zoeken naar de vernieuwing, die zijn werk zijn insziens zonodig
heeft. In de 50-er jaren trok hij zich regelmatig terug in de
eenzaamheid van de polder "' de dood" in de Biesbosch. Hier
werkte hij aan zijn vernieuwing, waarvan hij in een interview uit 1963
de voortgang als volgt omschreef; "Ik wilde een andere
richting uit, ik zoek meer openheid en ik wil die bereiken door een
veel grotere krachtexplosie van kleur. Je moet hier trouwens in deze
streek pure kleur gebruiken. Daarom werk ik veel met het palletmes. Ik
knijp de verf uit de tube direkt op het doek en meng het daarop en
niet meer op het pallet. Dan krijg je een andere zuiverheid. Er ligt
hier een geweldig arbeidsveld.
Een jaar later wordt de ziekte die hem later fataal zou zijn manifest en Noltee overlijdt in 1967 in Dordrecht.
In 1973 houdt het
Dordrechts Museum een verlate herdenkingstentoonstelling van het werk
uit familiebezit.
|