|
De jonge Kuypers had het
schilderen met de paplepel ingegoten gekregen. De in 1864 in Gorichem
geboren Cornelis Kuypers was de zoon van landschap- en genreschilder
Jan Kuypers. In Amsterdam bezocht Cornelis eerst de Quelliniusschool,
waar jonge artiesten de eerste beginselen van het vak werden
bijgebracht. Hier viel Cornelis' vrije en enthousiaste opvatting van
het vak niet bij iedereen in goede aarde. De docenten gingen uit van
een academische stijl, meer aangeleerd en vaster dan de vrije
stijl waar Kuypers mee dweepte.
Na de Quelliniusschool
vervolgde Kuypers zijn studie in het atelier van zijn vader, waar hij
zich verder verdiepte in het schilderen van landschappen. Na het
overlijden van zijn vader in 1892 verliet Cornelis het ouderlijk huis
om te trouwen met Elisabeth Terlingen. Het jonge stel vestigde zich in
Rijswijk, waar twee zoons werden geboren.
De omgeving van Rijswijk
bleek voor de kunstschilder een goede inspiratiebron. Moeiteloos
vloeiden de aquarellen met moestuinen en landschappen uit zijn
penseel. De gloriedagen van de Haagse School behoorden inmiddels tot
het verleden. Rijswijk en Den Haag verloren langzamerhand de
aantrekkingskracht die zij in het verleden zo sterk op kunstschilders
hadden uitgeoefend. In 1896 vertrok Kuypers met zijn gezin naar Renkum
waar ook Theophile de Bock zij laatste levensjaren doorbracht. In
Gelderland deed Kuypers opnieuw veel inspiratie op, misschien zelfs
nog meer dan in Rijswijk. De natuur was zijn voorbeeld en hij was dan
ook vaak buiten te vinden om zijn studies- eigenlijk al complete
schilderijen- te maken. Hij schilderde de natuur op zijn manier,
waarbij hij de werkelijkheid vooropstelde. zijn werk verschilde wel
van de meesters van de Haagse School. Zo maakte hij gebruik van
pittige kleurstellingen en had hij een krachtige penseelstreek. Zijn
atelier was de natuur zelf.
De Veluwe maakte van
Kuypers de schilder zoals we die nu kennen, met zandverstuivingen,
knoestige stammen en sombere bomen. Er kwamen op zijn schilderijen wel
eens mensen voor, maar deze waren altijd ondergeschikt aan de natuur.
Dat zijn werk van goede
kwaliteit was , bleek wel uit de internationale bewondering die
Cornelis Kuypers oogstte. In 1907 behaalde hij met een inzending een
medaille in een internationale salon in Barcelona en in 1911 kreeg hij
in dezelfde stad een eervolle vermelding. Zijn werk verkocht hij
nagenoeg allemaal aan de Amsterdamse kunsthandel Buffa.
Tot zijn spijt moest hij
met zijn gezin Renkum verlaten onder druk van de moeder van Elisabeth,
die haar zonen liever in een stad naar school stuurde. Zo verhuisde de
familie naar Den Haag en later weer naar Rijswijk.Cornelis verlangde
dikwijls terug naar de Veluwezoom met zijn duinen en bomen. Hij
spendeerde zijn tijd liever in het bos dan aan zee, dit in
tegenstelling van de meeste andere Haagse Scholers en hun navolgers.
Pas in 1924 zou de
familie Kuypers weer uit Den Haag vertrekken, deze keer niet naar de
Veluwe maar naar Soest. Hier kwam er wat verandering in zijn werk. De
Haagse tijd had waarschijnlijk toch invloed op zijn werk gehad. In de
omgeving van Loosdrecht waar hij veel schilderde maakte hij meer
gebruik van de grote wolkenpartijen in de lucht. Donkere bossen
maakten plaats voor licht en wolken.
De tijd die in een
schilderij ging zitten was over het algemeen niet gering. Op het
linnen van kuypers moest alles kloppen. In een aflevering van
Elseviers Maandblad uit 1924 schreef H. de Boer; Zijn schilderijen
zijn wonderen van verzorgdheid. Elk schilderij dat zijn atelier
verlaat, is gewoonlijk het resultaat van een weken-, maanden- en soms
jarenlang opvoeren der pirturale valeurs, van veredeling, precisering
der stof, die eindelijk voert naar een delicaat verzorgde peinture.
Zoals Jan Kuypers zijn
zoon Cornelis de liefde voor het schildersvak had bijgebracht, zo deed
Cornelis Kuypers dat weer bij zijn zoons. De oudste, Cornelis Marinus,
nam al vrij snel het penseel ter hand en kon zo als het ware zijn
vader opvolgen. De jongste zoon, Johan Cornelis, begon op 30 jarige
leeftijd te schilderen.
Cornelis Kuypers heeft
tot het allerlaatst geschilderd. Hij stierf echter niet in het harnas,
maar tijdens een partij biljarten op 30 oktober 1932.
|
|
|