|
|
|
Paul Joseph Constantin
Gabriel werd op 5 juli 1828 in Amsterdam geboren als oudste zoon van
de beeldhouwer Paul Joseph Gabriel. Eerst volgde hij de avondklas
tekenen aan de Amsterdamse Academie, waarna hij in 1844 naar Kleef
werd gestuurd om er les te krijgen aan de Tekenacademie van de
landschapschilder B.C. Koekoek. Deze was niet erg tevreden over de
prestaties van zijn jonge pupil, zodat Gabriel een jaar later al weer
terug in Nederland was.
Na enig omzwerven kwam
hij terecht bij de schilder C. Lieste in Haarlem, waar hij naar
schilderijen in het Paviljoen Welgelegen kopieerde en voornamelijk
portretten vervaardigde. Hier leerde hij de schilder Anton Mauve
kennen. met wie hij later veel zou optrekken. In 1852 verhuisde de
schilder naar Oosterbeek, waar ook de schilders de Haas en Kruseman
van Elten woonden. In Oosterbeek leerde hij ook J.W. Bilders kennen en
legde hij zich met veel moeite toe op het vervaardigen van
natuurstudies.
De periode 1856-1859,
toen hij in Amsterdam woonde, was een hele moeilijke; de verkoop van
zijn schilderijen wilde niet echt vlotten, waardoor hij in financiële
moeilijkheden geraakte. Dit leidde tot zijn vertrek naar Brussel. In
Brussel kreeg hij veel steun en advies van Willem Roelofs. Aan het
einde van de jaren zeventig gaf Gabriel in zijn Brusselse atelier les
aan W.B. Tholen, die als zijn belangrijkste leerling mag gelden.
Enkele jaren later verliet de schilder Brussel en vestigde hij zich in
Scheveningen. Hoewel hij hier tot zijn dood zou blijven wonen, werkte
hij ook veel buiten Den Haag; aan de Vliet in Voorschoten, in
Broeksloot, Oosterbeek, Abcoude, Kinderdijk en Heeze.
Gabriel onderscheidde
zich van de schilders van de Haagse School door zijn zonnig
kleurgebruik en zijn voorkeur voor zonnige landschappen. In een brief
aan A.C. Loffelt van 29 mei 1901 schreef Gabriel ( in zijn eigen
spelling): Alhoewel ik er zelf wat knorrig uit kan zien houd ik er
veel van dat het zonnetje in het water schijnt, maar buiten dat, ik
vind mijn land gekleurd en wat mij bijzonder opviel wanneer ik uit den
vreemden kwam: ons land is gekleurd sappig vet, vandaar onze schoone
gekleurde en gebouwde runderen, hun vleesch melk en boter, nergens
vind men dat zoo maar ze worden ook door dat sappige vette land
gevoed-ik heb vreemdelingen dikwijls horen zeggen, die Hollandsche
schilders, schilderen allemaal grijs en hun land is groen- wanneer men
jong is word men naar buiten gezonden om te studeren in een gekleurde
natuur en later moet men den grijze Schilderijen schilderen, een
ensemble bordpapier met hier en daar een kleurtje en dat heet poëzie;
dat heeft bij mij veel weg van meubelmakerij op de atelier bedacht en
het wordt dikwijls een opgaaf als of het niet anders kan.....
Deze boutade was niet
alleen een verdediging tegen de aanvallen van de kritiek op Gabriels
kleurgebruik, er school ook een kritiek van Gabriel in op de
succesformule van de Haagse School, die analoog met de roem van Corot
en de School van Barbizon op bepaalde momenten niet meer afweek van
bepaalde stereotype voorstellingen van het landschap. Een van de meest
typerende karaktertrekken van Gabriel-vandaar zijn verzet- was zijn
originaliteit. Piet Mondriaan had veel bewondering voor de strakke
welhaast geometrische opzet van Gabriels composities.
De schilder overleed op
23 augustus 1903 te Scheveningen.
Tijdens de laatste 15
jaar van zijn leven werden belangrijke werken van hem door diverse
Nederlandse musea verworven, zoals De Kamper Veenderij door
het Haags Gemeentemuseum.
|
|
|