
|
|
|
|
Karel Marinus Hendrikus Colnot, werd in 1921 te Bergen geboren. Hier en in Amsterdam werkte hij voornamelijk. Hij was de zoon van Arnout Colnot en hij vormde zich zelf. Karel Colnot schilderde, aquarelleerde en tekende portretten, landschappen en stillevens in de trant van de Bergense School. Opvallend is het dat zijn vader Arnout zich steeds fel heeft verzet tegen het voornemen van zijn zoon om schilder te willen worden. Karel bleef desondanks daaraan onverbiddelijk vasthouden en smaakte binnen korte tijd het genoegen dat zijn vader tot de erkenning van zijn talent kwam. Het getuigde zeker van de vasthoudendheid van Karel Colnot dat hij, ondanks het gemis aan medewerking, aan de door hem gevoelde roeping heeft vastgehouden. In 1946
was het de schilder Otto de Kat die als eerste schreef dat uit Karel
Colnot, de zoon van de bekende Arnout, een verdienstelijk schilder zou
kunnen groeien. Als je Karel Colnot naar zijn ontwikkeling als
schilder vroeg dan bromde hij altijd wat bescheiden; “Ach, je
weet hoe dat gaat. Je bent een beetje aan het schilderen en dan komt
Dirk Klomp langs en die vraagt “kijkt je vader er wel eens
naar?Daarna is die zelfde Dirk Klomp naar mijn vader gegaan en heeft
hem gezegd: “Zeg Nout je mag je wel eens om je zoon bekommeren. Een
beroemde vader hoeft nog geen didacticus te zijn en is lang niet
altijd een garantie voor een gedegen opleiding aan huis. Van de
reputatie van zijn vader heeft Karel Colnot zich weinig aangetrokken.
Karel trok zijn eigen spoor dat voor wat betreft de onderwerpkeuze wel
bij de Bergense-School traditie aansloot maar qua uitwerking veel
vrijer van opvatting was. Eigenzinnig als hij was heeft Karel zegge en
schrijve een keer met zijn vader samen geschilderd. Binnen de korte
keren sloegen zij elkaar met het pallet om de oren. De
onderwerpen die Karel Colnot koos zijn klassiek en verwant aan de
thema’s van de Bergense-School-schilders: landschappen en
stillevens, heel traditioneel. De toon is Frans en voor een Hollandse
schilder opvallend licht en zonnig. In zijn beginjaren makte hij veel
houtskooltekeningen, net als zijn vader, Leo Gestel en Mommie Schwartz.
Alleen werkte hij er niet met zijn duimen in. Hij veegde nooit. Bij
Karel bleven de vlakjes heel duidelijk op zich zelf staan. Omstreeks
1960 kwam Karel Colnot geheel los van de Bergense-School. Geen grote
halen, geen zware contouren, maar penseelvoering uitmondend in snelle
toetsen, die hij zelf omschreef als “korte rukkies”. In zijn
laatste jaren ging Karel heel Cezannesk te werk, met lichte mooie
tonen, met diepte en vrijheid Karel Colnot was de nuchterheid zelve en deed nooit gewichtig over het kunstenaarschap. Zijn manier van werken was eerder vanuit een beredenerend en rustig opgebouwd vakmanschap dan verwant aan het emotionele smeren. Schilderen zou stelde hij, is een vak, zoals elk ander ambacht. Karel Colnot behoorde tot een groep jonge Bergense schilders, waaronder ook Jaap Sax, Dirk Breed, Jaap Min en Cees Boendermaker, die profiteerden van de verworvenheden van hun voorgangers. Voor velen van hen betekende dit weer een vertrekpunt voor een verdere eigen autonome ontwikkeling. Werk van Karel Colnot is o.a. opgenomen in de Rijks collectie. Bron; D.A. Klomp, in een om de Bergensche School. |